Samenvatting
Een zwangere in Nederland heeft het recht zelf keuzes in zorg te maken (Hollander M. v.-J., 2016). In bestaande onderzoeken zoals van Jenkinson wordt besproken hoe verloskundigen reageren, maar de geleefde ervaring ontbreekt (Jenkinson, 2017). In dit zorgethische onderzoek is gekeken of kwetsbaarheid en/of precariteit worden ervaren door verloskundigen bij het begeleiden van zwangeren met zorgvragen buiten de richtlijnen. Middels fenomenologisch onderzoek en een theoretisch kader over de concepten kwetsbaarheid en precariteit is er een zorgethische reflectie gedaan om de onderzoeksvraag te beantwoorden.Verloskundigen ervaren dat ze ‘op eieren lopen’, hieraan liggen vier fenomenen onder ten grondslag, waarbij allemaal dat gevoel speelt. Verloskundigen lijken risico te lopen op ‘moral overload’ doordat ze ‘net dat tandje erbij’ moeten zetten. Verloskundigen benoemen het belang van ’naast me staan’, er wordt dan emotionele kwetsbaarheid gevoeld bij het alleen zijn. Verloskundigen ervaren precariteit en pathogene kwetsbaarheid doordat ze zich ´vogelvrij´ voelen, uit angst voor klachten. Maar ook door de huidige klachtenregeling lijkt er sprake van ´governmental precarization´. Daarnaast lijkt er precariteit ervaren te worden door een onveilige, verwijtende sfeer onder verloskundigen. Verloskundigen noemen ´het is niet alleen maar kommer en kwel´, deze zorg wordt namelijk als divers, interessant en empowerend ervaren.
Aanbevelingen aan de praktijk zijn meer onderwijs, peer support in de regio, veiligheid onder collega’s en samenwerkingsafspraken. Op organisatorisch niveau wordt geadviseerd om tariefophoging bij deze zorgvragen, landelijke peer support en ondersteuning via de beroepsgroep bij klachten. De overheid zou de klachtenregeling kunnen evalueren. De samenleving zou zich bewuster moeten zijn van de kwetsbaarheid en precariteit van zorgverleners. Ook zouden de concepten kwetsbaarheid en precariteit uitgebreid dienen te worden met de bevindingen uit dit onderzoek. Daarnaast is meer onderzoek nodig naar kwetsbaarheid en precariteit in de geboortezorg en specifiek bij zorgvragen buiten de richtlijnen.
Een zwangere in Nederland heeft het recht zelf keuzes in zorg te maken (Hollander M. v.-J., 2016). In bestaande onderzoeken zoals van Jenkinson wordt besproken hoe verloskundigen reageren, maar de geleefde ervaring ontbreekt (Jenkinson, 2017). In dit zorgethische onderzoek is gekeken of kwetsbaarheid en/of precariteit worden ervaren door verloskundigen bij het begeleiden van zwangeren met zorgvragen buiten de richtlijnen. Middels fenomenologisch onderzoek en een theoretisch kader over de concepten kwetsbaarheid en precariteit is er een zorgethische reflectie gedaan om de onderzoeksvraag te beantwoorden.
Verloskundigen ervaren dat ze ‘op eieren lopen’, hieraan liggen vier fenomenen onder ten grondslag, waarbij allemaal dat gevoel speelt. Verloskundigen lijken risico te lopen op ‘moral overload’ doordat ze ‘net dat tandje erbij’ moeten zetten. Verloskundigen benoemen het belang van ’naast me staan’, er wordt dan emotionele kwetsbaarheid gevoeld bij het alleen zijn. Verloskundigen ervaren precariteit en pathogene kwetsbaarheid doordat ze zich ´vogelvrij´ voelen, uit angst voor klachten. Maar ook door de huidige klachtenregeling lijkt er sprake van ´governmental precarization´. Daarnaast lijkt er precariteit ervaren te worden door een onveilige, verwijtende sfeer onder verloskundigen. Verloskundigen noemen ´het is niet alleen maar kommer en kwel´, deze zorg wordt namelijk als divers, interessant en empowerend ervaren.
Aanbevelingen aan de praktijk zijn meer onderwijs, peer support in de regio, veiligheid onder collega’s en samenwerkingsafspraken. Op organisatorisch niveau wordt geadviseerd om tariefophoging bij deze zorgvragen, landelijke peer support en ondersteuning via de beroepsgroep bij klachten. De overheid zou de klachtenregeling kunnen evalueren. De samenleving zou zich bewuster moeten zijn van de kwetsbaarheid en precariteit van zorgverleners. Ook zouden de concepten kwetsbaarheid en precariteit uitgebreid dienen te worden met de bevindingen uit dit onderzoek. Daarnaast is meer onderzoek nodig naar kwetsbaarheid en precariteit in de geboortezorg en specifiek bij zorgvragen buiten de richtlijnen.
Een zwangere in Nederland heeft het recht zelf keuzes in zorg te maken (Hollander M. v.-J., 2016). In bestaande onderzoeken zoals van Jenkinson wordt besproken hoe verloskundigen reageren, maar de geleefde ervaring ontbreekt (Jenkinson, 2017). In dit zorgethische onderzoek is gekeken of kwetsbaarheid en/of precariteit worden ervaren door verloskundigen bij het begeleiden van zwangeren met zorgvragen buiten de richtlijnen. Middels fenomenologisch onderzoek en een theoretisch kader over de concepten kwetsbaarheid en precariteit is er een zorgethische reflectie gedaan om de onderzoeksvraag te beantwoorden.
Verloskundigen ervaren dat ze ‘op eieren lopen’, hieraan liggen vier fenomenen onder ten grondslag, waarbij allemaal dat gevoel speelt. Verloskundigen lijken risico te lopen op ‘moral overload’ doordat ze ‘net dat tandje erbij’ moeten zetten. Verloskundigen benoemen het belang van ’naast me staan’, er wordt dan emotionele kwetsbaarheid gevoeld bij het alleen zijn. Verloskundigen ervaren precariteit en pathogene kwetsbaarheid doordat ze zich ´vogelvrij´ voelen, uit angst voor klachten. Maar ook door de huidige klachtenregeling lijkt er sprake van ´governmental precarization´. Daarnaast lijkt er precariteit ervaren te worden door een onveilige, verwijtende sfeer onder verloskundigen. Verloskundigen noemen ´het is niet alleen maar kommer en kwel´, deze zorg wordt namelijk als divers, interessant en empowerend ervaren.
Aanbevelingen aan de praktijk zijn meer onderwijs, peer support in de regio, veiligheid onder collega’s en samenwerkingsafspraken. Op organisatorisch niveau wordt geadviseerd om tariefophoging bij deze zorgvragen, landelijke peer support en ondersteuning via de beroepsgroep bij klachten. De overheid zou de klachtenregeling kunnen evalueren. De samenleving zou zich bewuster moeten zijn van de kwetsbaarheid en precariteit van zorgverleners. Ook zouden de concepten kwetsbaarheid en precariteit uitgebreid dienen te worden met de bevindingen uit dit onderzoek. Daarnaast is meer onderzoek nodig naar kwetsbaarheid en precariteit in de geboortezorg en specifiek bij zorgvragen buiten de richtlijnen.
Een zwangere in Nederland heeft het recht zelf keuzes in zorg te maken (Hollander M. v.-J., 2016). In bestaande onderzoeken zoals van Jenkinson wordt besproken hoe verloskundigen reageren, maar de geleefde ervaring ontbreekt (Jenkinson, 2017). In dit zorgethische onderzoek is gekeken of kwetsbaarheid en/of precariteit worden ervaren door verloskundigen bij het begeleiden van zwangeren met zorgvragen buiten de richtlijnen. Middels fenomenologisch onderzoek en een theoretisch kader over de concepten kwetsbaarheid en precariteit is er een zorgethische reflectie gedaan om de onderzoeksvraag te beantwoorden.
Verloskundigen ervaren dat ze ‘op eieren lopen’, hieraan liggen vier fenomenen onder ten grondslag, waarbij allemaal dat gevoel speelt. Verloskundigen lijken risico te lopen op ‘moral overload’ doordat ze ‘net dat tandje erbij’ moeten zetten. Verloskundigen benoemen het belang van ’naast me staan’, er wordt dan emotionele kwetsbaarheid gevoeld bij het alleen zijn. Verloskundigen ervaren precariteit en pathogene kwetsbaarheid doordat ze zich ´vogelvrij´ voelen, uit angst voor klachten. Maar ook door de huidige klachtenregeling lijkt er sprake van ´governmental precarization´. Daarnaast lijkt er precariteit ervaren te worden door een onveilige, verwijtende sfeer onder verloskundigen. Verloskundigen noemen ´het is niet alleen maar kommer en kwel´, deze zorg wordt namelijk als divers, interessant en empowerend ervaren.
Aanbevelingen aan de praktijk zijn meer onderwijs, peer support in de regio, veiligheid onder collega’s en samenwerkingsafspraken. Op organisatorisch niveau wordt geadviseerd om tariefophoging bij deze zorgvragen, landelijke peer support en ondersteuning via de beroepsgroep bij klachten. De overheid zou de klachtenregeling kunnen evalueren. De samenleving zou zich bewuster moeten zijn van de kwetsbaarheid en precariteit van zorgverleners. Ook zouden de concepten kwetsbaarheid en precariteit uitgebreid dienen te worden met de bevindingen uit dit onderzoek. Daarnaast is meer onderzoek nodig naar kwetsbaarheid en precariteit in de geboortezorg en specifiek bij zorgvragen buiten de richtlijnen.
Een zwangere in Nederland heeft het recht zelf keuzes in zorg te maken (Hollander M. v.-J., 2016). In bestaande onderzoeken zoals van Jenkinson wordt besproken hoe verloskundigen reageren, maar de geleefde ervaring ontbreekt (Jenkinson, 2017). In dit zorgethische onderzoek is gekeken of kwetsbaarheid en/of precariteit worden ervaren door verloskundigen bij het begeleiden van zwangeren met zorgvragen buiten de richtlijnen. Middels fenomenologisch onderzoek en een theoretisch kader over de concepten kwetsbaarheid en precariteit is er een zorgethische reflectie gedaan om de onderzoeksvraag te beantwoorden.
Verloskundigen ervaren dat ze ‘op eieren lopen’, hieraan liggen vier fenomenen onder ten grondslag, waarbij allemaal dat gevoel speelt. Verloskundigen lijken risico te lopen op ‘moral overload’ doordat ze ‘net dat tandje erbij’ moeten zetten. Verloskundigen benoemen het belang van ’naast me staan’, er wordt dan emotionele kwetsbaarheid gevoeld bij het alleen zijn. Verloskundigen ervaren precariteit en pathogene kwetsbaarheid doordat ze zich ´vogelvrij´ voelen, uit angst voor klachten. Maar ook door de huidige klachtenregeling lijkt er sprake van ´governmental precarization´. Daarnaast lijkt er precariteit ervaren te worden door een onveilige, verwijtende sfeer onder verloskundigen. Verloskundigen noemen ´het is niet alleen maar kommer en kwel´, deze zorg wordt namelijk als divers, interessant en empowerend ervaren.
Aanbevelingen aan de praktijk zijn meer onderwijs, peer support in de regio, veiligheid onder collega’s en samenwerkingsafspraken. Op organisatorisch niveau wordt geadviseerd om tariefophoging bij deze zorgvragen, landelijke peer support en ondersteuning via de beroepsgroep bij klachten. De overheid zou de klachtenregeling kunnen evalueren. De samenleving zou zich bewuster moeten zijn van de kwetsbaarheid en precariteit van zorgverleners. Ook zouden de concepten kwetsbaarheid en precariteit uitgebreid dienen te worden met de bevindingen uit dit onderzoek. Daarnaast is meer onderzoek nodig naar kwetsbaarheid en precariteit in de geboortezorg en specifiek bij zorgvragen buiten de richtlijnen.
| Datum prijs | 25 aug. 2025 |
|---|---|
| Originele taal | Nederlands |
| Begeleider | Gustaaf F. Bos (Toezichthouder) & Susanne L. van den Hooff (Toezichthouder) |